Wandeling door de Amsterdamse Waterleidingduinen, 2012
Het is 2012. Mijn moeder is dan net een jaar geleden overleden, en het leven voelt nog steeds anders, alsof een zachte mist is neergedaald over alles wat ooit vertrouwd was. In die periode besloot ik mijn vader mee te nemen naar de Amsterdamse Waterleidingduinen, een plek waar de lucht ruimer ademt dan elders, waar stilte geen leegte is maar een omhelzing.
We hadden allebei onze camera’s mee. Fotografie is van ons samen, een passie die door onze generaties heen stroomt: van zijn vader naar hem, van hem naar mij. Het is meer dan een hobby; het is een manier van kijken, van aanwezig zijn, van herinneringen vangen voordat ze vervagen.
In de Waterleidingduinen lijkt het soms alsof je alleen bent, maar dat is schijn. Het duin leeft, meestal nét buiten het zicht, soms fluisterend, soms stil als een ademhaling.
De boommarter laat zich bijna nooit zien. Hij beweegt zich als een schaduw door de bomen, sierlijk, schuw, een geheimenbewaarder van het duin. Die dag zagen we hem niet, maar we voelden dat hij er was. Mijn vader zei zacht: “Sommige dieren moet je niet zien om te weten dat ze bestaan.” Dat was zo’n zin die bleef hangen, omdat hij ook iets zei over rouw, over liefde, over het missen van iemand die onzichtbaar is en toch overal.
Verderop schoot een rode streep van boom naar zand, een eekhoorn, speels maar alert. Mijn vader lachte, dat zachte, herkenbare lachje dat ik zo mis als ik eraan terugdenk. Hij richtte zijn camera, te laat natuurlijk, maar dat maakte niet uit. “Soms is zien genoeg,” zei hij. En hij had gelijk: sommige momenten hoef je niet vast te leggen om ze toch te bewaren.
Het was fris, de herfst hing al in de lucht. Boven ons vlogen smienten, kolganzen, kleine zangers die de aankomende winter kou zouden trotseren. Hun roepjes vulden de lucht, helder en levendig. Het klonk als een kleine herinnering dat alles doorgaat. Misschien was het dat wat we toen nodig hadden.
De herten, die zie je in de Waterleidingduinen bijna altijd. Statig, nieuwsgierig, soms bijna brutaal. Die dag stonden ze stil tussen de struiken, als wachters van een wereld die groter is dan ons verdriet. Mijn vader stond lang te kijken.
“Moet je zien,” fluisterde hij, “zo dichtbij, zacht en rustig.”
Het was waar. Naast de herten voelde het verdriet zachter, minder scherp. Alsof de duinen zeiden: je mag even uitademen. Rust uit.
We liepen daar niet alleen voor de foto’s. We liepen om stil te zijn zonder dat stilte pijn deed. Om samen te dragen, ons gemis. Het was een wandeling van kleine woorden en grote gevoelens, van kijken en zien, van vasthouden en zachtjes loslaten.
De duindieren waren onze stille metgezellen. Onzichtbaar soms, maar aanwezig. Zoals mijn moeder. Zoals herinneringen die je meeneemt, al zijn ze niet altijd te vinden in je lens.
Aan het einde van de dag, moe, vol, opgeluchting, wist ik: dit was meer dan een wandeling. Dit was zoeken naar heling. In de duinen. Met mijn vader. Tussen het leven dat je niet altijd ziet, maar altijd voelt.
*mama*
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.