Het ondergeschoven kindje
Het ondergeschoven kindje was vroeger geen metafoor.
Het was… een feit.
In grote gezinnen, waar ruimte schaars was en bedden duur,
sliepen kinderen vaak met z’n allen in één bed, samen met de ouders in een ruimte.
En wie het kleinst was, of het laatst gekomen,
die had geen plek op het bed.
Voor dat kind werd een lade onder het bed gemaakt.
Letterlijk: een uitschuifbare bak,
met een matrasje, een deken,
en net genoeg ruimte om er te slapen.
’s Avonds werd het kind erin geschoven.
’s Ochtends weer terug de kamer in.
Praktisch. Liefdevol bedoeld.
Maar ook veelzeggend.
Overdag kon datzelfde kind aan tafel net zo goed geen echte plek hebben.
Te weinig stoelen. Te weinig borden, te weinig eten.
Het schoof mee, half op schoot, half achter iemand anders.
Altijd nét een beetje eronder, ernaast, ertussen.
Zo werd het ondergeschoven kindje het kind dat er wel was,
maar nooit helemaal.
En nu?
Nu slapen kinderen gelukkig niet meer in lades,
en iedereen heeft een stoel aan tafel.
Maar het ondergeschoven kindje is niet verdwenen.
Het is alleen verhuisd.
Het zit in:
plannen die steeds worden uitgesteld
gevoelens die je parkeert “voor later”
mensen die altijd rekening houden met anderen
en ja… soms ben je dat zelf
We schuiven het niet meer onder een bed, maar onder afspraken, agenda’s en goede bedoelingen.
Het ironische is:
niemand dwingt ons.
We doen het uit gewoonte of zelfbehoud.
Misschien is het tijd
om het ondergeschoven kindje
niet langer in een lade te leggen,
maar het bed uit te trekken.
Niet omdat het zielig is,
maar omdat het recht heeft op ruimte.
Uit de lade schuift
een stem die lang heeft gezwegen
mag ik blijven.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.