Twee weken lang was mijn wereld niet groter dan mijn bed en de paar vierkante meters ertussen en de badkamer. Rollend, kruipend soms, omdat lopen te veel gevraagd was. Koorts die kwam en ging, een hoofd dat bonkte, keel en neus die protesteerden, zelfs mijn oren leken de weg kwijt. In jaren heb ik mij niet zó ellendig gevoeld. De griep kan meedogenloos zijn, niets romantisch eraan.
En toch… juist in die uitputting gebeurde er iets zachts.
Er werd aangebeld. Niet één keer, maar telkens weer. Buurtjes die voor de deur stonden met pannen soep, schaaltjes stamppot, een appje: "Kan ik een boodschap voor je halen?" Ze keken naar mij om, zoals je dat doet als iemand even niet meer kan. En allemaal zeiden ze hetzelfde, zonder dat ze het van elkaar wisten:
“Jij zorgt ook altijd voor ons.”
Die woorden raakten me meer dan ik had verwacht. Tranen in mijn ogen, niet alleen van zwakte, maar van ontroering. Omdat zorgen voor elkaar blijft hangen. Omdat geven, zonder boekhouding, ooit vanzelf weer terugkomt. Dat blijkt nu wel.
Hier, op mijn tweede etage, is geen anonimiteit. Hier is nabijheid. We kennen elkaar niet van vroeger wel van mooie verhalen en kleine gebaren. We houden een oogje in het zeil, daar waar nodig een pan soep, stamppot, slaatje op het juiste moment, het samen zijn zonder verplichtingen. Onze vrijdagmiddag borreltjes, woensdag ochtend bij Bep koffie, niets moet, maar mag.
Deze griep legde mij plat, maar tilde tegelijkertijd iets anders op: het besef dat omkijken naar elkaar geen groot ideaal hoeft te zijn. Het zit in een bakje soep. In een klop op de deur. In samen mens zijn.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.